Ik kon helemaal niks meer…
Ik dacht dat ik alles wist over bewegen.
Jaren ijshockey, vechtsport, fitness: mijn lichaam was mijn gereedschap. Tot een rib subluxatie alles ontregelde.
“Gewoon doortrainen”, zei m’n fysio. Dus deed ik dat: zes keer krachttraining, vijf keer vechtsport per week. Twee maanden lang duwde ik door de pijn heen. Totdat de rugpijn zo heftig werd dat ik niet meer zonder rugsteun kon zitten.
Ironisch genoeg was ik zelf al jarenlang vechtsportinstructeur en personal trainer. Ik hielp anderen vooruit, maar liep zelf vast.
Want door de pijn ging ik anders bewegen. Dit leidde tot een golfelleboog in mijn linkerarm. Omdat ik die minder ging gebruiken, overbelastte ik mijn rechterarm: tennisarm.
Het was alsof mijn lichaam een domino-effect doormaakte. Elk probleem leidde tot het volgende.
Ik bezocht meer fysiotherapeuten, osteopaten, probeerde dry needling. Eén osteopaat zette mijn rib terug en even dacht ik: dit is het. De pijn nam af. Maar een paar weken later begon alles opnieuw.
Een pan vasthouden was moeilijk. Autorijden lukte amper. Dagelijkse dingen werden bergen. In het ziekenhuis kreeg ik de keuze: operatie of pijnprik. Ik weigerde. Want diep vanbinnen wist ik: dit pakt de oorzaak niet aan.
Maar acht maanden later zat ik nog steeds aan de zijlijn. Niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Want als je lichaam je in de steek laat, begin je aan alles te twijfelen.
Tot iemand Functional Patterns noemde.
Die eerste analyse was een openbaring. Voor het eerst keek iemand naar hoe ik liep, stond, bewoog. Naar patronen die ik al jaren had, zonder het te beseffen. Patronen die mijn rug blessures eigenlijk hadden veroorzaakt.
Binnen 12 weken voelde ik al een enorme verlichting in mijn klachten. Binnen 6 maanden presteerde ik beter dan voor mijn blessure. Niet omdat ik harder trainde, maar omdat ik eindelijk goed bewoog.




